De koningin op Bruidsvlucht

“Pfjoe, ja, dat wist ik dus niet. Kijk, in die zes dagen dat ik nu leef, althans, me ontpopt heb, weet ik alleen dat de drang enorm toenam. Ik voelde dat ik het avontuur moest aangaan. Me naar buiten wurmen, tussen alle anderen door, naar de vliegopening beneden. Een oude wachterbij daar keek me veelbetekenend aan en zei: ‘Een onvergetelijke dag voor U, koningin.’
Daar stond ik op de treeplank. Voor het eerst zonlicht in mijn ogen. Nog nooit gevlogen. En nu moesten mijn doorzichtige vleugeltjes me naar 40 meter hoogte brengen! Ik haalde diep adem en zette af. Wiebelig deed ik mijn eerste rondje langs een paar perenbomen, toen voelde ik dat ik moest gaan stijgen. Tussen takken door, langs bladeren, een duif ontwijkend klom ik hoger en hoger. De boomgaard lag onder me, de bomen tot wollige groene cirkels teruggebracht. Om mij heen nam het gezoem toe. Ik herkende enkele darren uit onze eigen kast, maar zag ook veel vreemde kerels. Zij hadden mij ook in de gaten. Opeens voelde ik van achteren een botsing. Een dar hield me vast, er ging een scheut van warmte en vreugde door me heen. Plotseling viel de dar in een Icarusval naar beneden en kwam er een ander op me af. Ook hij hield me vast en bracht me dat warme vanuit zijn lijf. En ook hij viel daarna. En opnieuw en opnieuw, wel twintig keer werd ik vastgehouden en weer losgelaten. Duizelig keerde ik terug, ontweek nog juist op tijd een zwaluw en landde bibberig op de treeplank. ‘Zo, koningin, nu lekker naar bed,’ zei de oude wachter. ‘Vanaf overmorgen krijgt U het druk.’